STAP 1

Hoe lees je een wandelkaart

Een gedetailleerde wandelkaart bevat ongelooflijk veel informatie. Het is een goed idee om je pas gekochte kaart eens goed te bestuderen voor je ermee op stap gaat.

Check de leeftijd

Als je observaties op het terrein niet kloppen met de kaart, dan zijn er twee mogelijkheden: je bent verloren gelopen of … de kaart is niet meer up to date.

De wereld verandert snel: er worden nieuwe verkavelingen aangelegd, bossen worden gekapt, natuurgebieden worden voor wandelaars afgesloten, paden verdwijnen. Maar er komen ook nieuwe wandelpaden bij, oude industrieterreinen worden gesaneerd en militaire oefengebieden krijgen een nieuwe bestemming als natuurgebied.

Koop dus altijd een recente kaart en kijk goed na hoe oud de kaart is. 

Niet alle kaarten geven netjes de datum weer waarop de kaartinhoud verzameld werd. Soms geeft men alleen de datum van herdruk, de kaartinhoud zelf kan vele jaren ouder zijn. 

Opgelet : de term ‘map datum’ of ‘geodetic datum’ heeft niks te maken met de ouderdom van de kaart. Deze term verwijst naar de ellipsoïde die gebruikt werd om het aardoppervlak wiskundig weer te geven (voorbeeld: WGS84). 

Check de schaal

Een schaal wordt op twee manieren uitgedrukt: als breukschaal (voorbeeld: 1/25.000) of als lijnschaal (een lijn met afstandsaanduidingen).

Veelgebruikte schalen voor wandelkaarten zijn: 1/20.000, 1/25.000, 1/50.000 of zelfs 1/100.000. 

Het is handig om een paar veelgebruikte afstanden voor jouw kaart uit het hoofd te leren. Het zal je straks helpen bij het navigeren.

Meet op de lijnschaal hoe lang 1 km, 500 m en 250 m op de kaart zijn. 

Kijk uit met de breukschaal bij gekopieerde kaarten. Als de kopie vergroot of verkleind werd, dan klopt de breukschaal niet meer. De lijnschaal blijft correct, want ze wordt meer vergroot of verkleind. 

Voorbeeld van een breukschaal en een lijnschaal (TOPO25 kaart België)

Schaal 1/25.000 is de meest gebruikte schaal voor wandelkaarten.

Check het kaartnoorden

Op een wandelkaart valt het kaartnoorden samen met de bovenste rand van de kaart. 

Maar opgelet met een kaartje in een wandelgids. Daar worden kaartjes soms gedraaid voor een betere layout. Er wordt dan een noordpijl afgedrukt om het noorden aan te geven. 

Check op een kaart altijd de richting van de noordpijl.

Een wandelkaart drukt meestal een schema af met meerdere noordpijlen. Dat schema geeft informatie over het geografische (‘echte’) noorden, het kaartnoorden (de bovenste rand van de kaart), het grid noorden (het raster dat op de kaart is afgedrukt) en het magnetische noorden (daar komen we straks op terug).

Kaarten zijn zo gemaakt dat de verschillen tussen het kaartnoorden, het geografische (echte) noorden en het grid noorden zo klein mogelijk zijn. Ze zijn doorgaans zelfs kleiner dan de nauwkeurigheid van je kompas, zodat je ze bij het navigeren kan negeren. 

In deze snelcursus stellen we dat het kaartnoorden gelijk is aan het geografische (echte) noorden. 

Wil je meer weten over het geografische noorden, het kaartnoorden en het gridnoorden?

Ga naar Het noorden kwijt?

Check de magnetische declinatie

Het magnetische noorden is de richting waar je kompasnaald naar wijst. 

Het magnetische noorden wijkt af van het geografische noorden. Die afwijking wordt de magnetische declinatie genoemd. Je moet dit verschil kennen en er rekening mee houden als je een kompas wil gebruiken. Anders zal je kompas de verkeerde richting aanwijzen.    

In België hebben we geluk: de magnetische declinatie is zo klein dat je er bij het navigeren geen rekening mee hoeft te houden. 

Ook in de rest van West-Europa is de magnetische declinatie heel klein. Ze bedraagt nooit meer dan 4,5°. Dit betekent dat een kompas je op een afstand van 500 m nooit meer dan 40 m van je richting zal doen afwijken.

In andere landen, bijvoorbeeld in Groenland, kan de magnetische declinatie ervoor zorgen dat je behoorlijk de verkeerde richting uitloopt, tot 30° en meer. 

In deze snelcursus houden we geen rekening met de magnetische declinatie.

Wil je wél rekening houden met de magnetische declinatie ?

Lees er meer over in het artikel over de Magnetische declinatie

Lees de kaartelementen

Er staat heel wat op de kaart. Er zijn lijnvormige, puntvormige en oppervlakte-elementen.

Bekijk altijd goed de legende van een kaart voor je op stap gaat. Je zal er versteld van staan hoeveel details de kaart weergeeft. Het voorkomt ook dat je symbolen verkeerd interpreteert en navigatiefouten maakt.

Een paar voorbeelden: 

  • Bekijk de verschillende soorten wegen en vooral de soorten paden. Kijk na of er wandelroutes op je kaart staan afgedrukt.
  • Skiliften en hoogspanningsleidingen zijn lelijke elementen in het landschap, maar ze maken het navigeren wel makkelijker.
  • Kijk uit dat je een administratieve grens of een hoogspanningsleiding niet verwart met een weg. Of een winterse skiroute met een zomers wandelpad. Een weg of een pad kan je volgen, de anderen niet.
  • Een rivier is doorgaans een blauwe lijn, dat is logisch. Maar hoe wordt een brugje of een doorwaadbare plaats aangegeven? En hoe ziet een moeras er uit? 
  • Zorg ervoor dat je op kaart het verschil kent tussen een weide, een naaldbos en een loofbos. Het soort terrein helpt je bij het navigeren.  
  • Bekijk de speciale landschapselementen: een merkwaardige boom, een duin of een toren. Verwar een kappelletje niet met een kerk. 

Bekijk nu de kaart in zijn geheel: 

  • Welke steden en dorpen staan er op de kaart, waar lopen de belangrijkste wegen en spoorwegen?
  • Welke rivieren staan er op de kaart, waar kan je ze oversteken? 
  • Waar is er overwegend weiland, grasland, loofbos, naaldbos? 
Lees het reliëf

Een topografische kaart geeft je veel informatie over het reliëf van het terrein. Het is goed om het verschil te kennen tussen een heuvel en een vallei, tussen een klim of een afdaling. 

Het reliëf wordt op een kaart weergegeven door hoogtelijnen. Dat zijn lijnen die alle punten met dezelfde hoogte met elkaar verbinden. Soms voegt men daar nog schaduw aan toe om het geheel wat intuïtiever te maken. Bij bergtoppen wordt vaak het hoogste punt met een cijfer aangegeven.

(c) Wandelpunt.be

In het voorbeeld zie je hoe een berg getekend wordt. De hoogtelijnen staan dichter bij elkaar als de helling steiler wordt. 

Het interval tussen twee hoogtelijnen (de equidistantie) is voor elke kaart verschillend. Kijk op je kaart welke equidistantie ze heeft. 

In het geschetste voorbeeld is het interval 100 m. Op een kaart van een bergstreek is een interval van 20 m gebruikelijk. In vlakke gebieden zoals Vlaanderen kiest men voor een kleiner interval, 5 m of minder.

Bekijk de kaart in zijn geheel: 

  • Waar zijn de hoogste en de laagste punten?
  • Waar lopen bergkammen en valleien? 
  • Probeer een van de hoogste hoogtelijnen en een van de laagste hoogtelijnen te volgen. Je kan ze eventueel met een fluo stift accentueren. Zo komt het reliëf in het landschap op kaart tot leven.
P1000657B2S

Vragen / Aanvullingen ?

Heb je niet gevonden wat je zocht? Stel hier je vraag!